Capnocytophaga canimorsus: cave canem!

58 p
Samenvatting

Een 57-jarige man biedt zich aan op de dienst spoedgevallen met anorexie, nausea, 39°C koorts
met rillingen en waterige diarree gedurende vier dagen. Zijn voorgeschiedenis toont een nietgedocumenteerde penicillineallergie en een splenectomie wegens immuuntrombocytopenische
purpura (ITP) ruim twintig jaar geleden.
De thoraxfoto en de CT-scan van de thorax en het abdomen weerhouden geen inflammatoire
focus met op hemoculturen de aanwezigheid van multisensitieve Capnocytophaga canimorsus.
C. canimorsus behoort tot de normale flora van de orofarynx van de hond en wordt teruggevonden bij 67% tot 86% van de honden.
De infectie vindt meestal plaats na een hondenbeet en voornamelijk bij patiënten die immuungecompromitteerd zijn, met name patiënten met asplenie (congenitaal, functioneel, postsplenectomie),
cirrose of ethylisme in de voorgeschiedenis. Een besmetting uit zich klinisch zeer heterogeen met
soms een fataal verloop. De infectie heeft een hoge mortaliteit van 27% tot 31%.
Patiënten moeten bij een koortsepisode na een hondenbeet behandeld worden met bètalactamantibiotica of cefalosporines.
Immuungecompromitteerden (postsplenectomie, levercirrose of ethylabusus) moeten zich bij
koorts na een hondenbeet binnen de twee uur aanmelden op een spoedeisende hulp ter verdere
oppuntstelling en moeten empirisch behandeld worden met bètalactamantibiotica of cefalosporines.
Indien dit niet mogelijk is, wordt er het best reeds empirisch gestart met een „single-dose” antibioticum, idealiter reeds voorgeschreven en in het bezit van de patiënt alvorens zich later aan te melden
op een spoedeisende hulp.

Auteur
H. Dedecker , K. De Keyser , V. Saegeman
Vakgebied
INFECTIEZIEKTEN
Jaargang 2019, Volume 75