Cumulatieve gadoliniumdepositie in de hersenen na vroegere MRI-beeldvorming met contrast: wat weet men over de klinisch-neurologische effecten?

1 562 p
Samenvatting

Voor beeldvorming met een MRI wordt er vaak gebruikgemaakt van gadoliniumhoudende contrastmiddelen.
Deze contrastmiddelen bestaan reeds meer dan 30 jaar en werden steeds als zeer veilig
beschouwd. Enkel bij patiënten met een slechte nierfunctie was er een link bekend met het ontwikkelen
van nefrogene systeemfibrose (NSF) en werd het gebruik van gadoliniumhoudende contrastmiddelen
afgeraden. Recent is echter aan het licht gekomen dat er na de intraveneuze toediening
van gadoliniumhoudende contrastmiddelen cumulatief gadoliniumdeposities ontstaan in het lichaam,
ook bij patiënten met een normale nierfunctie. Er worden tot vele jaren na het MRI-onderzoek gadoliniumresten
gemeten in de nieren, de huid, de beenderen en de hersenen. Deze laatste zijn zelfs
zichtbaar op vervolg-MRI-onderzoeken als spontaan hyperintense signaalintensiteit van de nucleus
dentatus en de globus pallidus op de T1-gewogen opnames. De klinisch-neurologische effecten van
deze gadoliniumdeposities in de hersenen zijn momenteel onduidelijk. De gadoliniumretentie blijkt
voornamelijk op te treden bij de lineaire gadoliniumhoudende contrastmiddelen, daarom is er sinds
eind 2017 nagenoeg volledig overgeschakeld op macrocyclische gadoliniumhoudende contrastmiddelen.
Toch blijft ook bij het gebruik van deze laatste voorzichtigheid geboden en moet gadoliniumtoediening
vermeden worden wanneer het niet strikt noodzakelijk is.

Auteur
A. Terwecoren , P. De Visschere
Vakgebied
NEUROLOGIE , MEDISCHE BEELDVORMING
Jaargang 2018, Volume 74