Euthanasie ingebed in de palliatieve zorg: analyse van de doctrinale kritieken op het unieke Belgische model van integrale levenseindezorg

605 p
Samenvatting

Het Belgische model van „integrale” levenseindezorg bestaat sinds 2002 uit het samengaan van universele toegang tot palliatieve zorg (PZ) en wettelijk geregelde euthanasie. Als eerste organisatie wereldwijd heeft de Federatie voor PZ Vlaanderen (FPZV) euthanasie ingebed in de praktijk van PZ. Dit model kreeg grote bijval (het is recentelijk door Québec, Canada, goeddeels overgenomen), maar ook heftige kritiek. Volgens buitenlandse critici gaan concepten zoals „integrale PZ” en „palliatieve futiliteit of hardnekkigheid” fundamenteel in tegen de essentie van PZ. Dit artikel analyseert enkele essentialistische argumenten voor de vermeende incompatibiliteit tussen euthanasie en PZ. Grootschalige empirische studies uit de Benelux tonen dat sinds de legalisering van euthanasie de zorgvuldigheid van levenseindebeslissingen is toegenomen en dat zich geen significante „hellend vlak”-effecten hebben voorgedaan. Het is problematisch dat sommige critici deze proefondervindelijke bewijzen afdoen als irrelevant in een normatief debat. Het historisch-conservatieve argument tegen het Belgische model dat de preventie van euthanasie een stichtend principe van de PZ was, negeert belangrijke historische ontwikkelingen. Het ethische standpunt van conservatieve critici doet afbreuk aan het kernidee van PZ dat de patiënt centraal staat, aangezien de voorkeuren van zorgverleners boven die van patiënten worden geplaatst. Verder is het canonieke vasthouden van vele critici aan de definitie van PZ van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO), met intentie als centraal criterium, problematisch omdat intentie niet deugdelijk is als ethische maatstaf. Een dogmatische afwijzing van het Belgische model kan ook nefaste praktische gevolgen hebben. Hierbij hoort de marginalisering van PZ in euthanasie-permissieve landen, de verderzetting van clandestiene praktijken en problematische sedatie tot aan het overlijden. De algehele kwaliteit van levenseindezorg zou achteruitgaan omdat 1) patiënten die op de mogelijkheid van euthanasie staan zich ver zouden houden van professionele PZ, en dus minder competente levenseindezorg zouden krijgen en 2) euthanasie minder eu-euthanasie zou zijn, wegens minder uitgevoerd in een geest van „totale zorg”. Samengevat, de essentialistische argumenten tegen het Belgische model negeren empirische studies, hanteren problematische definities, onderschikken de waarden van de patiënt aan die van de zorgverlener en miskennen een pluraliteit van verdedigbare perspectieven over levenseindebeslissingen.

Auteur
J. Bernheim
Vakgebied
ETHIEK
Jaargang 2018, Volume 74